Module 1.

Voertuigbeheersing


1.1 Instappen.

Zowel bij het instappen als bij het uitstappen moet je volgens een bepaalde procedure benaderen en uitvoeren. Deze procedure is noodzakelijk om de veiligheid voor jezelf en anderen in het verkeer zoveel mogelijk in acht te nemen. Alhoewel er tegenwoordig veelal in parkeervakken geparkeerd kan worden, volgt onderstaand een overzicht van de wijze van handelen als de auto aan de rechterzijde van de rijbaan langs de trottoirband staat opgesteld.

Handelen bij aan komen lopen en instappen in de auto

 

  • Bij nadering loop je richting de voorzijde van de auto. Je loopt vervolgens vóór de auto langs, zodat je goed zicht hebt op het aankomend verkeer op jouw weghelft dat van links nadert.
  • Vóór je bij de linker koplamp bent kijk je links en rechts, om te beoordelen of je zonder gevaar naar het portier kunt lopen en deze zonder gevaar of hinder voor het overige verkeer kunt openen.
  • Hoe korter het instappen duurt, hoe kleiner de kans dat je het overige verkeer hindert, of in gevaar brengt.

 Je stapt vlot en zonder twijfelen in en sluit het portier zo vlot mogelijk. Met geopend portier(en) is de auto al snel 1,5 á 2 maal zo breed, wat gevaar of hinder kan veroorzaken.

 

Sluit je portier met je linkerhand en kijk tevens of de portieren van eventuele medepassagiers goed gesloten zijn.



1.2 Uitstappen.

Handelen bij uitstappen en weglopen van de auto

 

  • Pak de handgreep van het portier vast met je linker hand. Houd de handgreep vast zodat losrukken door de wind later bij het ontgrendelen (3) voorkomen wordt.
  • Kijk vóór de auto, in de binnenspiegel, de linker buitenspiegel en over je linker schouder om te oordelen of je veilig en zonder het overige verkeer te hinderen uit kunt stappen.
  • Ontgrendel het portier met de rechterhand, terwijl je de deurgreep met links blijft vasthouden Door deze volgorde aan te houden bevorder je een juist kijkgedrag. Je lichaam moet je op deze wijze al een kwart naar links draaien, waardoor het kijken over je linkerschouder en naast de auto een automatisme wordt.
  • Stap -zodra dit veilig en zonder hinder kan- vlot uit en loop richting de achterzijde van de auto, zodat je zicht houdt op het achteropkomend verkeer dat  op jouw weghelft nadert.
  • Overtuig  jezelf van het afsluiten van de auto met de centrale deurvergrendeling, zodat anderen geen (oneigenlijk) toegang hebben tot de auto.


1.3 Stoel en stuurafstelling.

Bij de zithouding hebben we de volgende aandachtspunten: 

  • De hoogte.

Allereerst gaan we de hoogte instellen van de stoel. Het is de bedoeling dat je op een comfortabele manier over het stuur heen kan kijken en onder de binnenspiegel door.

  • De beenafstand.

Als je het koppelingspedaal (het linker pedaal) helemaal intrapt met je linkervoet moet je een lichtgebogen linkerbeen hebben, waarbij het bovenbeen op de zitting blijft rusten.

  • De rugleuning.

De rugleuning stel je zodanig in dat je met beide polsen bovenop het stuur contact houd tussen rug en rugleuning.

  • De hoofdsteun.

De hoofdsteun moet zodanig zijn afgesteld dat bij n ongeval deze het hoofd opvangt.  Om deze af te kunnen stellen neem je een gestrekte hand, leg deze boven op je hoofd en dan moet de bovenkant van je hoofd gelijk zijn met de bovenkant van je hoofdsteun.

  • Stuurwiel afstellen.

Bij de meeste auto's is het mogelijk om het stuurwiel af te stellen. Hiervoor zit onder het stuur veelal een handel om het stuur te ontgrendelen.  Stel het stuurwiel zodanig in dat je comfortabel kan sturen (lichtgebogen armen) maar let wel op dat het zicht op het dashboard behouden blijft.

  • De gordel.

Bij het aandoen van de gordel moet je de hoogte zo afstellen, dat de gordel over de schouder loopt. En dat er geen draaiingen of knopen in zitten.


stuurhouding.

 

 

 

Het stuurwiel dient men met beide handen losjes vast te houden, waarbij de armen licht gebogen zijn. Houd de handen aan de buitenkant van het stuurwiel (kwart voor 3), de duimen OP het stuur houden.


1.4 Afstellen spiegels.

Doe dit voor dat je gaat rijden en nadat je je stoel gesteld hebt.

  • De binnenspiegel.
  • Deze stel je zodanig af dat je zoveel mogelijk kunt zien door je achterruit. Dit doe je met enkel je rechterhand.
  1. Aan de bovenkant zie je nog een randje van de bovenruit.
  2. In de hoeken van je spiegel zie je de hoofdsteunen van de achterbank.
  3. in het midden van de spiegel zie je de middelste hoofdsteun van de achterbank.
  • De buitenspiegels

Deze stel je zodanig af dat je:

  • nog net de deurklink van de achterdeur kan zien, op 1/3 van je spiegel van onderen.
  • De horizon kan zien in op 1/3 van je spiegel van boven.

Starten.

De juiste volgorde van starten is:

  • Koppelingspedaal intrappen en controleer of de versnellingspook in neutraal staat.
  1. Draai de contactsleutel van je af of druk de startknop in zodat de motor start. (Controleer op het dashboard of alle controle-lampjes uit zijn).
  2. Schakel de eventuele noodzakelijke stroomverbruikers aan (verlichting, ruitenwissers e.d.)
  3. Schakel naar de eerste versnelling.
  4. Haal de auto van de parkeerrem.


Uitzetten.

  • Houd de rem en koppeling ingetrapt.
  1. Zet de auto op de parkeerrem.
  2. Zet de versnellingspook in neutraal.
  3. Zet alle stroomverbruikers uit.
  4. Draai de contactsleutel naar je toe of druk de startknop in. (vergeet niet de sleutel er uit te halen)
  • Je kunt nu de pedalen loslaten.

1.5 Sturen.

Dit kan op 2 manieren De bedoeling is dat je de juiste stuurmethode weet toe te passen in de juiste omstandigheden.

 

1.5.1 De doorgeefmethode.

  • Gebruiken in flauwe bochten

1.5.2 De overpakmethode.

Gebruiken bij weinig ruimte waarbij snel gestuurd dient te worden. Denk hierbij aan bijzondere verrichtingen.


Al naar gelang de scherpte van een bocht insturen en bij het uitsturen kun je het stuur rustig door je handen door laten glijden (begeleiden).Ga je erg langzaam door n bocht dan is handmatig terugsturen gewenst.


1.6 Plaats op de weg.

De plaats op de weg is zoveel mogelijk rechts, ook bij meerdere rijstroken. Blijf ook in het midden van je rijstrook. Belangrijk hierbij is ver vooruit kijken en in je spiegels kijken. zoek de lijnen. (deze zijn je getoond door je instructeur)

Controleer de plaats op de weg in elke situatie en telkens weer, en denk daarbij altijd aan de veiligheid van jezelf en die van je medeweggebruikers.

 


1.7 Volgafstand - Ruimtekussen,

Volgafstand:

 

  • Hierbij is het van belang dat je plaats op de weg dusdanig is, dat je de weg goed kunt overzien. Volgen betekent dat je met dezelfde snelheid en een minimaal vereiste afstand achter een ander voertuig blijft rijden. Een gemakkelijke manier om te bepalen of je een veilige afstand aanhoudt is "de 2 seconden regel". De instructeur kan hier meer over uitleggen.
  • Bij slecht weer, of rijden achter een vrachtwagen is het aan te bevelen om nog meer afstand te houden. Dit geldt ook als je te maken heb met bumperklevers.
  • Kijk bewust! Zowel voor als achter je, en probeer gedrag van overige verkeersdeelnemers te voorspellen (theoriekennis kan hierbij al handig zijn!).
  • Houd ruimte om te manoeuvreren.

 

Waar moet je rekening mee houden wanneer je achter iemand rijdt?

 

  • Je moet in nood nog op tijd kunnen stoppen.
  • Je moet op tijd kunnen zien of er iets op de weg ligt en daar nog om heen kunnen rijden. Denk aan takken, kuilen enz.
  • Probeer altijd verder te kijken dan je voorganger. (kijk dus voorbij de auto waarachter je rijd.) Zo kun je al voorspellen of hij/zij gaat afremmen. 

Ruimtekussen:

Met ruimtekussen bedoelen we de vrije ruimte aan de zijkanten, de voorkant en de achterkant van de auto. Hierbij creëer je tijd en ruimte om een eventuele aanrijding te voorkomen. Het is dus van belang dat je bewust rondom de auto kijkt, ofwel de omgeving goed observeert, waardoor je op tijd een veilig ruimtekussen kunt creëren tussen de auto en het overige verkeer. Verkeersinzicht speelt hierin een grote rol.

 

 

 

Meest gemaakte fouten:

  • Te dicht langs fietsers en stilstaande obstakels rijden.
  • Vergeten gas los te laten als iemand voor je richting aan geeft.
  • Te laat remmen wanneer er voor je afgeremd wordt.

1. 8 Gas geven.

Dit doe je bij het wegrijden en na het (op)schakelen. Het rechterpedaal is het gaspedaal.Je gebruikt hiervoor je rechtervoet en zorg hierbij dat je hiel op de vloer steunt.Bij de lage versnellingen geef je wat minder fel gas dan bij de hogere versnellingen. Je zult het gaspedaal zo moeten doseren dat de auto zich zich aanpast aan het overige verkeer, voorkom dus onnodig veel gas geven. Dit is schadelijk voor het milieu.

Meest gemaakte fouten bij volgafstand houden:

  • Te dicht achter je voorganger rijden.
  • Alleen naar je voorganger kijken en niet verder vooruit kijken.
  • Te laat doorhebben dat degene voor je af gaat remmen.




1.9 Remmen.

Het middelste pedaal is je rempedaal. Deze bedien je ook met je rechtervoet.

Als je ziet dat je moet gaan remmen dan laat je als het mogelijk is alvast je gas los zodat de brandstoftoevoer word onderbroken (milieu) Je laat de auto als het ware uitrollen.

Daarna plaats je je rechtervoet op het rempedaal en drukt het pedaal zodanig in dat je of je gewenste snelheid rijd of dat je op tijd stil komt te staan op de plaats waar nodig is of waar jij wil.

Houd er rekening mee dat er een rembekrachtiger op de rem zit, dus trap het rempedaal niet te abrupt in.

Ook is het van belang om vlak voor het stilstaan het rempedaal iets op te laten komen, waardoor het naar voren duiken word voorkomen en je bijna onmerkbaar tot stilstand komt. 

 

De volledige procedure van remmen is:

  • Kijken (binnen/buiten).
  • gas los.
  • Remmen.

Remmen is voornamelijk een gevoelskwestie, Door het vele oefenen wordt het vanzelf een automatisme.


1.10 Remmen en ontkoppelen.

Het linker pedaal is je koppelingspedaal. Deze bedien je met je linker voet.

 

Voordat je de auto volledig tot stilstand kan brengen zal je de verbinding tussen motor en wielen moeten verbreken om afslaan van de motor te voorkomen. Dit noemt men "ontkoppelen.  Je trapt het koppelingspedaal met je linkervoet vlot en volledig in op het moment dat de motor het stationaire toerental heeft bereikt (1000 toeren).

De verbinding tussen motor en wielen is nu verbroken waardoor je de auto verder kan afremmen.



1.11 koppelen en wegrijden.

Om weg te kunnen rijden moet er weer verbinding gemaakt worden tussen motor en wielen, waardoor de auto weer aangedreven kan worden. Dit doe je door de koppeling op te laten komen. Dit op laten komen doe je niet net als bij het intrappen met 1 vlotte beweging maar langzaam. Je laat eerst de koppeling opkomen tot het moment dat de aandrijving tot stand komt, men noemt dit punt "het aangrijpingspunt". Wanneer dit punt is bereikt laat je het pedaal langzaam opkomen terwijl je ook gedoseerd gas er bij geeft, zodanig dat je in een vloeiende beweging kan wegrijden.

Ook dit is een gevoelskwestie, wat door veelvuldig oefenen een automatisme moet worden.

 

 

Let er op dat zodra het koppelingspedaal helemaal omhoog is je je voet er af haalt en deze laat rusten naast of voor het koppelingspedaal.



1.12 Opschakelen.

Om te kunnen schakelen moet je eerst ontkoppelen, je kan dit inmiddels.

 

Bestudeer het schema en de juiste stand van de versnelling en de juiste stand van de hand voor de diverse versnellingen, dit zorgt er voor dat je niet naar de verkeerde versnelling schakelt en verhoogt het bedieningsgemak van de versnellingspook.

Zorg er voor dat je bij het schakelen je hand losjes om de versnellingspook houd.

Wees vooral in het begin van je opleiding hier allert op.

 

Opschakelen gebeurt tussen de 1500 en 2000 toeren op je toerenteller. Zodra je dit toerental hebt bereikt

 

  • ontkoppel je.
  • Schakel je naar de volgende versnelling.
  • hand weer terug naar het stuur.
  • koppelen en gas geven.

  • let er op dat je bij het opschakelen voordat je gaat schakelen eerst in je binnenspiegel  en linkerbuitenspiegel. kijkt. Over het algemeen betekent het dat je na het opschakelen de snelheid gaat opvoeren. Door te spiegelen blijf je het overige verkeer in de gaten houden.
  • Let op de toegestane maximumsnelheid, zonder je door andere bestuurders te laten misleiden (deze rijden vaak te snel).

1.13 Terugschakelen met remtechniek.

Terugschakelen doe je dus aan de hand van je snelheid, en simpel gezegd je gaat eerst afremmen en daarna pas schakelen.

De procedure voor bij terugschakelen is als volgt:

  • Iedere keer voordat je terugschakelt kijk je, voordat je gaat handelen- in de binnenspiegel en linker buitenspiegel. Over het algemeen betekent het dat je na het terugschakelen snelheid gaat minderen. Door te spiegelen blijf je het overige achteropkomende verkeer in de gaten houden en kun je jouw handelen eventueel aanpassen als zij niet juist reageren.
  • Je haalt de rechtervoet vlot en geleidelijk van het gaspedaal, zodat de auto al begint te vertragen.
  • Indien nodig rem je rustig bij om het vertragen te bevorderen.
  • Trap het koppelingspedaal vlot en helemaal in, zodat je het terugschakelen mogelijk maakt, zonder schade aan te brengen aan de tandwielen van de versnellingsbak.
  • Breng de rechterhand vlot naar de versnellingspook en schakel in de gewenste versnelling.
  • plaats de handen op de juiste wijze op het stuur, zodat je de juiste stuurpositie weer inneemt
  • Laat het koppelingspedaal geleidelijk en rustig, helemaal opkomen, zodat schokken van/in de auto vermeden wordt.
  • Geef eventueel met de rechtervoet weer rustig gas, zodat de auto vloeiend in beweging blijft. Min of meer gelijktijdig….
  • laat je de koppeling rustig, vloeiend en in het geheel opkomen en geef vervolgens de linkervoet rust naast of voor het koppelingspedaal.
  • Kijk vervolgens weer in de binnenspiegel en linker buitenspiegel om te controleren of je de juiste snelheid aanhoud zonder anderen te hinderen. Bij terugschakelen (en remmen) is het in bijzonder van belang om het gedrag van achteropkomend verkeer goed in de gaten te houden.

1.14 Ingehaald worden.


Ingehaald worden gebeurt meestal links, hier zijn enkele uitzonderingen op:

  • Bestuurders rechts van een blokmarkering.
  • Fietsers mogen andere bestuurders rechts inhalen.
  • Een tram mag je rechts inhalen.
  • Vlak voor of op een rotonde mag je ook rechts inhalen.
  • Als er in file word gereden.
  • Als iemand voor je aangeeft naar links te gaan, Moet deze rechts worden ingehaald.

Probeer zoveel mogelijk je snelheid en plaats op de weg aan te passen aan de omstandigheden. Hierdoor word je zelf minder snel ingehaald.


1.15 Tegemoet komen.

Tegemoetkomend verkeer wordt pas lastig als de weg dusdanig smal is dat je moet uitwijken naar rechts. Schat op tijd de situatie in, met betrekking tot de tegenligger. Ga op tijd vertragen.

Ver vooruitkijken dus. 

Moet je uitwijken vergeet dan niet om eerst over je rechterschouder te kijken om te zien of je geen ander verkeer gaat hinderen(fietsers, scooters bijvoorbeeld). Houd ook de toestand van het wegdek in de gaten. Moet je eventueel de berm in ga dan stapvoets rijden.



1.16 Interne controle

Controlelampjes in de (les) auto

Uit onderzoek is gebleken dat het met de voertuigkennis en de kennis van de symbolen (en de functies hiervan) in de auto matig gesteld is. Zowel mannen als vrouwen scoorden slecht; beide groepen kwamen niet tot een voldoende.  Om het geheugen nog eens op te frissen onderstaand de meest voorkomende symbolen en de functies van de controlelampjes in de auto.

 

Controlelampjes op het dashboard

De controlelampjes op het dashboard van de auto geven je informatie over de goede werking van een aantal belangrijke functies in de auto. Een aantal symbolen op het dashboard vind je ook onder de motorkap (vooral vloeistoffen die je bij moet kunnen vullen). Als de controlelampjes blijven branden, kun je over het algemeen stellen dat:

 

ROOD

Altijd zo veilig mogelijk direct stoppen en actie ondernemen (hulpdienst, garage).

ORANJE

Doorrijden, maar zo snel mogelijk actie ondernemen om het euvel te (laten) verhelpen (garage)


Je hebt een te lage bandenspanning.


Je hebt een te laag brandstofniveau.


Dimlicht.

  • Na zonsondergang.
  • Bij slechte weersomstandigheden.
  • in Tunnels.

 


Grootlicht

  • Bij ontbreken van straatverlichting.
  • Doven bij tegenliggers.

 

  • Mistlicht voor <200m.
  • Mistlicht achter <50m.

Er is iets mis met je "stroomvoorziening"

  • Accu.
  • Dynamo.


Er is iets mis met je "stroomvoorziening"

- Accu.

- Dynamo.



Er is iets mis met je "motormanagement".


Er is een storing in je remsysteem.


Er is iets mis met je "motormanagement".


Je hebt een te laag brandstofniveau.


Er is een storing in je remsysteem.


Je hebt een te lage bandenspanning.




Vorige module
Vorige module
volgende
Volgende module


Auteursrecht informatie

Dit document is bedoeld voor eigen gebruik. In het algemeen geldt dat enig ander gebruik, daaronder begrepen het verveelvoudigen, verspreiden, verzenden, herpubliceren, vertonen of uitvoeren van dit document, verboden is.

Rijschool Dielessen geeft je praktische voorbeelden en adviezen, deze dien je altijd onder toezicht van een bevoegde rij-instructeur uit te voeren. Wij zijn niet aansprakelijk voor eventuele schade in welke vorm dan ook.

Neem contact op

06-52729205

info@rijschooldielessen.nl

Laat je nummer achter.

Dan bellen we je terug